In de Lage Landen is de waardering van een bureau grotendeels een gesprek achter gesloten deuren. Je hoort een cijfer van een collega die net verkocht heeft, je hoort een ander cijfer van een adviseur, en je hebt geen enkele manier om te weten welk van de twee representatief is. Er bestaat geen publieke referentie.
In de Verenigde Staten wel. Verschillende Amerikaanse M&A-kantoren publiceren hun volledige aanbod openbaar: omzet, EBITDA, marge en gevraagde multiple, per bureau, zonder registratie. Alleen de identiteit blijft afgeschermd. Dat levert iets op wat wij niet hebben - een dataset waarin je kan zien hoe waardering zich gedraagt.
Wij hebben er één doorgerekend: 74 actieve fiches van bureaus en marketingdienstverleners, opgehaald in augustus 2026. Niet om te zeggen wat jouw bureau waard is. Wel om te begrijpen welke mechanieken de prijs bepalen - en om daarna de eerlijke vraag te stellen welke van die mechanieken hier überhaupt bestaan.
Eerst de beperkingen
Drie dingen om in het achterhoofd te houden bij alles wat volgt.
Dit zijn vraagprijzen, geen transactieprijzen. Wat een verkoper vraagt en wat een koper betaalt zijn twee verschillende getallen, en de tweede is doorgaans lager.
De EBITDA is genormaliseerd op Amerikaanse wijze. Bij bureaus onder ongeveer een miljoen winst wordt vaak met SDE gewerkt: de vergoeding van de eigenaar en zijn persoonlijke kosten worden teruggeteld. Dat maakt de noemer groter en de multiple optisch lager dan een Europese lezer verwacht.
En de steekproef is Amerikaans van samenstelling: 62 van de 74 fiches, met daarnaast acht Australische, twee Canadese en één Brits bureau. Waar we hieronder regio’s vergelijken, zijn de aantallen klein. Behandel die vergelijking als een aanwijzing, niet als bewijs.
Mechaniek 1: de multiple is een trap, geen helling
Dit is de opvallendste vondst, en ze druist in tegen wat de meeste bureau-eigenaars aannemen.
EBITDA-schijf Aantal Mediane multiple Mediane marge < 500k 31 3,4x 27,5% 500k – 1M 22 3,55x 28,4% 1M – 2M 15 4,2x 34,7% > 2M 6 5,25x 31,9%
De onderste twee schijven zijn praktisch niet te onderscheiden. Een bureau met 300.000 winst en een bureau met 700.000 winst verkopen aan vrijwel dezelfde multiple. De sprong komt pas voorbij de miljoen, en de echte sprong pas voorbij de twee.
Wat dat betekent voor de manier waarop je aan waarde werkt: onder de miljoen EBITDA vergroot je met groei alleen de basis, niet de vermenigvuldiger. Van 300k naar 700k gaan verdubbelt ruwweg je opbrengst - maar het is een lineaire beweging, geen hefboom. De hefboom zit in het passeren van een drempel, niet in het klimmen naar die drempel toe.
Voor de meeste bureaus in onze markt is dat een ongemakkelijke vaststelling, omdat die drempel op eigen kracht binnen een redelijke termijn zelden haalbaar is. De route ernaartoe loopt dan via samengaan vóór de exit in plaats van erna.
Mechaniek 2: je specialisatie doet minder dan je denkt
We hebben de fiches ingedeeld naar discipline. De mediane multiples liggen als volgt:
PR en communicatie: 4,1x
Web en development: 3,8x
Paid media en performance: 3,7x
Search en SEO: 3,7x
Consulting en insights: 3,65x
Creatie en brand: 3,6x
E-commerce: 3,45x
Social en influencer: 3,3x
De hele waaier zit tussen 3,3x en 4,1x. Dat is minder spreiding dan tussen twee willekeurige bureaus binnen dezelfde discipline.
Dit staat haaks op wat de meeste positioneringsverhalen beloven. “Wij zijn de specialist in X, dus wij zijn meer waard” vindt in deze data geen steun. Specialisatie helpt wel degelijk - maar ze werkt via de marge en via de bestendigheid van klantrelaties, dus via de EBITDA-basis. Ze werkt niet als aparte premie bovenop.
De variabele die wél werkt, is schaal.
Mechaniek 3: winstgevendheid koopt geen multiple
Hier wordt het interessant voor onze markt.
De Australische bureaus in de set zijn duidelijk winstgevender dan de Amerikaanse: een mediane marge van 40,9% tegenover 27,9%. En toch liggen hun multiples in elke vergelijkbare schijf een fractie lager - ongeveer 0,3 tot 0,4x, of grofweg tien procent.
Dat patroon is precies wat je verwacht in een dunnere markt. Waar minder kopers zijn, moet je beter presteren om minder te krijgen. Winstgevendheid is een toegangsticket, geen prijskaartje.
Externe bronnen wijzen dezelfde richting uit. M&A-kantoor FE International schat dat Europese multiples gemiddeld vijftien tot vijfentwintig procent onder de Amerikaanse liggen, en wijst daarbij op de diepere koperspool aan de overkant. Dat is een partij met belang bij hoge cijfers, dus lees het als richting en niet als maat.
Waarom marktomvang doorweegt: vier structurele mechanieken
Als de multiple in een kleinere markt lager ligt, is het de moeite waard te weten waaróm. Vier mechanieken, in volgorde van gewicht voor onze markt.
Financiering. Dit is de grootste en de meest onderschatte. In de VS bestaat de SBA 7(a)-lening: een overheidsgegarandeerd krediet tot vijf miljoen dollar waarmee een individuele koper een bedrijf kan overnemen met een minimale eigen inbreng van tien procent - en sinds de regelwijziging van juni 2025 mag de helft daarvan zelfs een achtergestelde verkoperslening zijn. Aflossing over tien jaar, ook voor een overname die volledig uit goodwill bestaat.
Dat creëert een volledige kopersklasse die hier niet bestaat. Je ziet het letterlijk in de fiches: vier bureaus adverteren “SBA pre-approved” als verkoopargument, alsof het een kwaliteitslabel is. Dat is het in zekere zin ook - het betekent dat de koperspool ineens veel groter is.
Bij ons financiert geen enkele bank goodwill op een mensenbedrijf tegen die voorwaarden. Het gevolg is niet alleen een lagere prijs, maar vooral een andere structuur: meer earn-out, meer uitgesteld, meer voorwaardelijk. Twee bureaus met dezelfde nominale multiple kunnen daardoor een totaal verschillende deal hebben.
Diepte van de koperspool. Een multiple is niets anders dan competitieve spanning, in cijfers uitgedrukt. Voor een bureau met een half miljoen EBITDA zijn er in België en Nederland samen realistisch enkele tientallen geloofwaardige kopers. In de VS zijn dat er duizenden, individuele overnemers inbegrepen. Dat verschil zit volledig in de prijs.
De exitladder. Multiple-arbitrage werkt alleen als er telkens een volgende koper hogerop staat. In de VS loopt die keten van onafhankelijk bureau naar PE-platform naar grotere PE naar strategische koper. Bij ons is de ladder korter en eindigt hij meestal bij een internationale groep of een lokale holding. Kortere ladder betekent minder herhaalde herwaardering.
Arbeidsmarkt. Een opvallend deel van de Amerikaanse fiches beschrijft zichzelf als volledig remote en contractor-gedreven. Die bureaus kunnen hun capaciteit meebewegen met de omzet. Bureaus hier dragen anciënniteit, opzegtermijnen en cao-verplichtingen. Dat drukt de marge én verhoogt het risico voor een koper - twee keer in dezelfde richting.
Maar: hou het in verhouding
Het is verleidelijk om hieruit te concluderen dat onze markt structureel benadeeld is. Dat klopt maar half.
In deze dataset verklaart het land ongeveer 0,3 tot 0,4x verschil. De omvang van het bureau verklaart 1,9x - van 3,4x naar 5,25x. Marktschaal is een tweede-orde-effect naast bedrijfsomvang.
De grotere consequentie van een kleine markt loopt dan ook niet via de multiple, maar via de EBITDA-basis zelf: via het tariefniveau, de kostenstructuur en de gemiddelde bureaugrootte. Een bureau hier verkoopt niet dramatisch goedkoper per euro winst. Het heeft alleen veel minder euro’s winst, en komt daardoor zelden voorbij de drempel waar de multiple begint te stijgen.
Dat verschuift de vraag. Niet “hoe krijg ik een hogere multiple”, maar “hoe kom ik in de schijf waar een hogere multiple bestaat”.
De vraag die wij niet voor jou kunnen beantwoorden
Alles hierboven komt uit een Amerikaanse etalage. De vertaling naar onze markt is geen rekensom, en wie dat wel zo brengt, verkoopt je iets.
Wat wij wél weten is welke vragen ertoe doen. Als je aan de waarde van je bureau werkt - voor over vijf jaar, of voor volgend jaar - dan zijn dit de vragen die het verschil maken:
Waar ligt de drempel in onze markt? In de Amerikaanse data ligt het kantelpunt rond één miljoen EBITDA. Ligt dat hier lager, omdat onze bureaus kleiner zijn en de koperspool anders is samengesteld? Of ligt het hoger, omdat internationale kopers pas vanaf een bepaalde omvang naar hier kijken?
Wat vervangt de SBA? Als goedkope overnamefinanciering voor individuele kopers ontbreekt, wie neemt dan hun plaats in? Verkoperslening? Management buy-out met earn-out? Geleidelijke overdracht over vijf jaar? Elk van die structuren verschuift risico en prijs op een andere manier, en de nominale multiple vertelt daar niets over.
Hoeveel is je multiple waard als de helft voorwaardelijk is? Een deal van 4x met zestig procent bij closing is een andere deal dan 3,5x volledig cash. In een markt zonder overnamefinanciering is dat het gesprek dat er echt toe doet - en het is precies het gesprek dat in openbare cijfers nooit zichtbaar wordt.
Is samengaan een alternatief voor verkopen? Als de drempel op eigen kracht niet haalbaar is binnen je horizon, dan is een fusie met een gelijkaardig bureau geen tweede keuze maar de meest directe route naar de schijf erboven.
Wij houden voor onze eigen dossiers bij hoe deze mechanieken zich in de Benelux gedragen. Dat is voorlopig het enige zicht dat er in onze markt op bestaat - en het is precies het soort vraagstuk waar we naast bureau-eigenaars gaan zitten wanneer de exit nog ver genoeg weg is om er iets aan te doen.
Bronnen en methode
Primaire data. 74 actieve verkoopfiches van bureaus en marketingdienstverleners, gepubliceerd door M&A-kantoor Merge (gomerge.com), opgehaald op 18 augustus 2026. Per fiche zijn vraagprijs, omzet, EBITDA, opgegeven multiple en marge vastgelegd. Multiples in dit artikel zijn herberekend als vraagprijs gedeeld door opgegeven EBITDA; bij vier fiches wijkt die berekening meer dan 0,35x af van de opgegeven multiple, wat wijst op een niet-gepubliceerde normalisatie. Bedragen in AUD en CAD zijn niet omgerekend - dat raakt de multiple niet, aangezien teller en noemer in dezelfde munt staan.
Regionale vergelijking. VS n=62, Australië n=8, Canada n=2, VK n=1. De vergelijking per EBITDA-schijf berust op twee tot vier Australische waarnemingen per schijf en is indicatief.
Europees multiple-verschil. FE International, How to Value an Agency Business: Data, Benchmarks & Steps (2026).
SBA 7(a)-voorwaarden. Maximaal vijf miljoen dollar, minimaal tien procent eigen inbreng waarvan tot de helft een volledig achtergestelde verkoperslening mag zijn (SOP 50 10 8, van kracht sinds juni 2025), aflossing over tien jaar voor overnames zonder vastgoed.
Barometer. Cijfers over de Belgische bureausector in IKAg-publicaties zijn gebaseerd op neergelegde jaarrekeningen bij de Nationale Bank van België.



