Wat als één klant een zeer belangrijk deel van je omzet uitmaakt
Een handleiding voor agency owners die ’s nachts wakker worden van cijfers die overdag “prima” lijken
Laten we met het goede nieuws beginnen. Als één klant een groot deel van je omzet uitmaakt, dan doe je duidelijk iets juist. Niemand geeft zomaar 25, 30 of 40 procent van zijn marketingbudget aan een bureau dat maar wat doet. Grote klanten zijn zelden een toeval. Ze zijn meestal het resultaat van vertrouwen, timing, inhoudelijke sterkte en een relatie die gegroeid is.
En toch. Er is dat moment. Je zit ’s avonds nog wat in je cijfers te rommelen, puur uit nieuwsgierigheid. Of omdat je hoofd toch niet stil is. En ineens zie je het. Eén balk in je omzetgrafiek is… fors. Te fors om hem nog gezellig te noemen. Dat is geen paniekmoment. Dat is een volwassenheidsmoment.
Dit stuk gaat niet over “hoe raak ik van mijn grootste klant af”. Dit stuk gaat over iets veel belangrijkers: hoe zorg ik ervoor dat mijn grootste klant mij niet gijzelt. Niet financieel. Niet operationeel. En vooral niet mentaal.
Waarom dit zo hard binnenkomt
Omdat dit geen klassiek salesprobleem is. Dit is een systeemprobleem.
Als die ene klant morgen krimpt, dan voel je dat niet alleen in je omzet. Je voelt het in je cashflow. In je planning. In je team. In de spanning in meetings. In je eigen gedrag. Je begint uitstel te rationaliseren. Je slikt meer dan vroeger. Je wordt zachter waar je eigenlijk scherper zou moeten zijn.
En net daarom ligt dit zo gevoelig. Niet omdat het slecht gaat. Maar omdat het goed gaat op een manier die fragiel is.
Wanneer is een klant “te groot”?
Er bestaan geen magische cijfers, maar er bestaan wel realistische drempels. In professionele dienstverlening keren die telkens terug, ook al spreken we er zelden luidop over.




