Zondagavond, 22u14. Zoekopdracht: “wat is mijn bureau waard”. Zoekopdracht gewist om 22u15. Niet omdat iemand meekeek. Omdat je het zelf had gezien.
Je weet wat je zocht. Niet een getal, want dat getal bestaat niet zonder een koper die het uitspreekt. Je zocht een uitweg uit een vraag die al drie jaar op de achterbank zit en nu eindelijk vraagt of ze voorin mag. De vraag heeft drie antwoorden en je kent ze alle drie. Verkopen. Een stap terug zetten en de zaak laten draaien door mensen die je vertrouwt. Of van rol wisselen: niet meer de baas, wel de man of vrouw die de grote klanten binnenhaalt, of de strateeg, of de nestor met een kantoor en een plant.
Je hebt er al over nagedacht. Op een nog vagere manier dan je zou toegeven, op terrassen, in september, met mensen die het ook hebben meegemaakt en die je daarna niet meer durfde bellen omdat ze het te concreet maakten.
En dan werd het weer maandag, en was er een pitch, en een medewerker die opstapte, en een klant die zijn factuur van augustus betwistte. De vraag kroop terug naar de achterbank. Ze zit daar goed. Ze heeft geduld.
Dit stuk gaat over die drie opties. Maar vooral over wat ze gemeen hebben, want dat is meer dan je denkt. En over een test van drie weken in Portugal, zonder laptop, die ik zelf jaren niet heb durven doen.



